manwijf

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·wijf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord manwijf manwijven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

manwijf o [2]

  1. (pejoratief) forse, ruwe, bazige vrouw
    • Het keerpunt, waarop ze besliste opnieuw een meisje te zijn, kwam in het eerste middelbaar: een nieuwe school, met allemaal nieuwe gezichten. Anuna kwam terecht in een klas met vrij veel jongens. ‘Op de speelplaats kwamen steeds meer jongens vragen hoe het zat: ze zeggen dat jij een meisje bent, is dat echt waar? En daarna kwamen de scheldwoorden: manwijf! Mijn vriendje werd uitgemaakt voor homo. Niet leuk voor hem, maar hij zag mij toch graag.’[3] 
    • Uit de bronnen komt Kenau Hasselaar naar voren als een eigenzinnige, doortastende vrouw, maar niet per se als een onaangenaam manwijf. Weliswaar noemt een prentbijschrift haar ‘bolle Truy’ (dikke trien) en spreekt een rechtbankverslag niet erg lovend over een „tovenaarster”. [4] 
  2. vrouw die er uitziet en zich gedraagt als een man
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. De Standaard 04/06/2016
  4. NRC Bram de Klerck 5 maart 2014