betogen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·to·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘trachten aan te tonen’ voor het eerst aangetroffen in 1236 [1]
  • afgeleid van togen met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betogen
betoogde
betoogd
zwak -d volledig

Werkwoord

betogen

  1. overgankelijk een opvatting bepleiten door een serie argumenten als een verhaal presenteren
    • In haar boek betoogt zij dat we gezonder moeten gaan eten. 
    • De advocaat betoogde met overtuiging de onschuld van de verdachte. 
  2. inergatief een politieke demonstratie houden
    • Zeer veel mensen betoogden tegen de komst van een nieuwe kerncentrale. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

betogen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord betoog

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen