losarbeider

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los·ar·bei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord losarbeider losarbeiders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

losarbeider m

  1. (beroep) iemand die wiens taak is de lading uit een schepen of ander vervoersmiddelen te halen
    • In de aanklacht wordt ook verwezen naar een verklaring die Pakpahan op 27 juli, na de bestorming van het PDI-kantoor, per fax heeft verspreid. Daarin meldde hij dat de politie de avond tevoren op de Kramat Jatimarkt in Jakarta-Oost “straatvechters en laad- en losarbeiders” had geronseld, die PDI-attributen kregen uitgereikt en werden gesommeerd om mee te doen aan de bestorming van het partijgebouw. [1]
  2. iemand die geen vast werkverband heeft, maar steeds voor beperkte perioden wordt ingehuurd om werk te doen dat geen opleiding vereist
    • Doelwit waren losarbeiders die zich op het Tayaranplein elke ochtend verzamelen voor een dag werk. [2]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Opmerkingen
  • De dubbelzinnigheid door de twee mogelijke betekenissen kan eenvoudig worden voorkomen door voor betekenis 2. de schrijfwijze "los arbeider" te gebruiken, die ook iets gangbaarder lijkt: Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal vermeldt als sinds de 6e druk (1924) het synoniem "los werkman; het Woordenboek der Nederlandsche Taal "een losse werkman" en een voorbeeldzin met "losse arbeiders"[3]. Ook de schrijfwijze "los-arbeider" kwam in het verleden wel voor, maar deze heft de mogelijke dubbelzinnigheid niet op.

Gangbaarheid

Verwijzingen