los arbeider

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • los ar·bei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord los arbeider losse arbeiders
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

los arbeider m

  1. iemand die geen vast werkverband heeft, maar steeds voor beperkte perioden wordt ingehuurd om werk te doen dat geen opleiding vereist
    • Doelwit waren losarbeiders die zich op het Tayaranplein elke ochtend verzamelen voor een dag werk. [1]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Opmerkingen
  • In plaats van als woordgroep (met spatie) komt dit begrip ook als samenstelling voor. De samenstelling kan ook worden opgevat als gevormd met de stam van lossen en duidt dan de functie van losser aan. De schrijfwijze als woordgroep is niet dubbelzinnig en lijkt ook iets gangbaarder: Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal vermeldt als sinds de 6e druk (1924) het synoniem "los werkman; het Woordenboek der Nederlandsche Taal "een losse werkman" en een voorbeeldzin met "losse arbeiders".[2] Ook de schrijfwijze "los-arbeider" kwam in het verleden wel voor, maar deze heft de mogelijke dubbelzinnigheid niet op.
  • Omdat "arbeider" geen onzijdig woord is, zou in de samenstelling de verbogen vorm "losse" te verwachten zijn. Bij vaste verbindingen met een woord dat een persoon aanduidt komen uitzonderingen op deze regel voor.[3]

Gangbaarheid

Verwijzingen