lompheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lomp·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van lomp en met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord lompheid lompheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lompheid v [1]

  1. grove onbeleefdheid
    • En zo voelt het ook voor de hoofdpersoon van de roman De meisjes waarmee de jonge Amerikaanse schrijfster Emma Cline dezer dagen furore maakt. Het gaat over een meisje dat van haar moeder leerde dat je pijn over routineuze lompheid hoort te verbijten „met beschaafd gedrag". [2] 
  2. domheid
    • „Op sommige punten is het einde van de beschaving nabij. De boertigheid en de lompheid hebben dit jaar vrij spel gehad. Het grove taalgebruik is in de politiek en de rest van Nederland geaccepteerd en wordt vrij toegepast.” [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joyce Roodnat 30 juni 2016
  3. NRC Ron Rijghard 24 december 2009
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be