tactloosheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tact·loos·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tactloosheid tactloosheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tactloosheid v

  1. het tactloos zijn
    • De tactloosheid van de bestruuder zorgde ervoor dat hoewel hij best goede indeëen had zijn plannen toch niet werden uitgevoerd. 

Gangbaarheid