boersheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boers·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boersheid boersheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boersheid v [1]

  1. de grofheid en stevigheid die bij een boer zou passen
    • Peter Bosz en Hendrie Krüzen passen niet bij Ajax. Het plaatje vloekt. Maar ik hoop uiteraard dat dit illustere tweetal het geweldig gaat doen in de Arena. Bosz is een van de beste Nederlandse trainers op dit moment. Hij staat voor verzorgd en attractief voetbal en daar is behoefte aan bij Ajax. En de Twentse boersheid van Krüzen kan geen kwaad bij de arrogantie van de landskampioen van weleer. [2] 
    • Waar de afvalemmer op lijkt, weet ik niet, maar voor mij verbeeldt hij de mooie kanten van Hongarije: de liefde voor de natuur en het landleven, de verheerlijking van het eigen verleden, de combinatie van trotse boersheid en grootstedelijke verfijning, het inventieve, ja zelfs de passie. [3] 
    • Met een combinatie van boersheid en aan agressie grenzende verongelijktheid heeft Donald Trump afgelopen weekeinde op de G7-top in Canada duidelijk gemaakt dat hij de naoorlogse wereldorde van regels, overleg en een minimum aan fatsoen, definitief heeft ingeruild voor het recht van de sterkste en de stijl van een lomperik. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.

Verwijzingen