liefkozing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lief·ko·zing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord liefkozing liefkozingen
verkleinwoord liefkozinkje liefkozinkjes

Zelfstandig naamwoord

liefkozing, v

  1. aai, streling, gebaar maarmee je iets of iemand liefkoost.
    • De moeder gaf haar kind een liefkozing nadat het gevallen was. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.