lezer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·zer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lezer lezers
verkleinwoord lezertje lezertjes

Zelfstandig naamwoord

lezer m

  1. iemand die (een bepaald geschrift) leest
    • De schrijver neemt de lezer mee op zijn avontuurlijke tocht door de Amazone. 
  2. apparaat dat tekens kan lezen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be