leblam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. Een zwart leblam krijgt melk uit een zuigfles.
Uitspraak
Woordafbreking
  • leblam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leblam leblammeren
verkleinwoord leblammetje leblammetjes

Zelfstandig naamwoord

leblam o

  1. (veeteelt) jong schaap dat niet door de moeder wordt gezoogd, maar door mensen met andere melk wordt grootgebracht
    • "En elk jaar laten we een leblam loslopen over het erf. Ze loopt nooit weg, tot verbazing van de gasten." Het schattige lammetje levert boerin Hennie de bijnaam "moeder van ooitje op". [1]
Schrijfwijzen
Synoniemen
Opmerkingen
  • Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse taal vermeldt sinds de 12e druk (1992) "leblam" met als enige betekenis "(het) lazarus". Omdat hiervan nog geen voorbeeldzinnen zijn aangetroffen, is deze betekenis hierboven niet vermeld.

Gangbaarheid

6 % van de Nederlanders;
4 % van de Vlamingen.

Verwijzingen