laatste

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • laat·ste
Woordherkomst en -opbouw
  • [bijvoeglijk naamwoord] afleiding van laat met het achtervoegsel -st en de uitgang -e
  • [zelfstandig naamwoord] afleiding van laatst met het achtervoegsel -e [1]
  • [onbepaald rangtelwoord] afleiding van laat met het achtervoegsel -stemet het achtervoegsel -ste[2]

Bijvoeglijk naamwoord

laatste

  1. verbogen vorm van de overtreffende trap van laat

laatste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van laatst
    • Ze wilden graag het laatste nieuws horen. 
Uitdrukkingen en gezegden
enkelvoud meervoud
naamwoord laatste laatsten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

laatste m

  1. wie of wat niet meer door anderen wordt gevolgd
    • Wanneer jullie weggaan, moet de laatste het licht uitdoen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • De laatste der Mohikanen zijn
de laatste zijn die nog ergens in gelooft
  • De laatste hand aan iets leggen
iets afmaken/voltooien
  • De laatste loodjes wegen het zwaarst
aan het eind van de klus wordt het werken het meest moeilijk; de dingen op het einde van een karwei zijn het vermoeiendst
  • De laatsten zullen de eersten zijn
  • Het laatste hemd heeft geen zakken
  • Kijken alsof men z'n laatste oortje versnoept heeft
verlegen en beteuterd kijken
  • Zijn laatste troef uitspelen
het laatste wat iemand achter de hand had naar buiten brengen

Onbepaald rangtelwoord

laatste

  1. in een reeks door niets meer gevolgd worden
    • De laatste deelnemer had bijna twee keer zo tijd nodig als de eerste. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen