achterste

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·ste
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achterste achtersten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

achterste

  1. o zitvlak, bips
    • Hij viel wat ongelukkig op zijn achterste. 
  2. wie of wat het laatst in een rij is
    • De achtersten werden het ergste getroffen door de aanval van de achtervolgers. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

achterste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van achterst
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op de achterste benen staan
erg kwaad worden
  • Op zijn achterste poten staan
Vreselijk boos worden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie