achterste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·ste
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘billen’ voor het eerst aangetroffen in 1567 [1]
  • afgeleid van achterst met het achtervoegsel -e [2]
  • is op te vatten als de overtreffende trap van het bijwoord achter
enkelvoud meervoud
naamwoord achterste achtersten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

achterste

  1. o zitvlak, bips
    • Hij viel wat ongelukkig op zijn achterste. 
  2. wie of wat het laatst in een rij is
    • De achtersten werden het ergste getroffen door de aanval van de achtervolgers. 
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Het ( of zijn) achterste tegen de krib zetten
zich stijfhoofdig tegen iets verzetten, zich dwars tegen iets aankanten [3]
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

achterste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van achterst
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op de achterste benen staan
erg kwaad worden
  • Op zijn achterste poten staan
Vreselijk boos worden
  • Iemand op zijn achterste zolder jagen
iemand in het nauw drijven, in grote moeilijkheid brengen. [4]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen