achterste

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·ste
enkelvoud meervoud
naamwoord achterste achtersten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

achterste

  1. o zitvlak, bips
    Hij viel wat ongelukkig op zijn achterste.
  2. wie of wat het laatst in een rij is
    De achtersten werden het ergste getroffen door de aanval van de achtervolgers.

Bijvoeglijk naamwoord

achterste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van achterst