kruiser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krui·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kruiser kruisers
verkleinwoord kruisertje kruisertjes

Zelfstandig naamwoord

kruiser m

  1. (militair) (scheepvaart) een oorlogsschip dat hoge snelheden kan halen
    • Drie kruisers zetten de achtervolging in. 
  2. (scheepvaart) een type jacht
    • Drie kruisers hielden een wedstrijd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen