kokos

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·kos
enkelvoud meervoud
naamwoord kokos -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

kokos o

  1. (stofnaam) de eetbare substantie in het binnenste deel van de kokosnoot
    • Misschien is het wel lekker om hier wat kokos door te doen. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Mota

Werkwoord

kokos

  1. insluiten, opsluiten