kelderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kel·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kelderen
kelderde
gekelderd
zwak -d volledig

Werkwoord

kelderen

  1. (overgankelijk) (scheepvaart), (militair) naar de kelder sturen, doen zinken
    Op 30 december werd het schip gekelderd door de U-435.
  2. (ergatief) (scheepvaart) naar de kelder gaan, zinken
    In het Amsterdamse havengebied is door een ongeluk bij een kolenoverslag een schip gekelderd.
  3. (ergatief) overdrachtelijk snel omlaag gaan
    In 2008 kelderden de aandelenmarkten.