jongleren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. ter vermaak meerdere voorwerpen beurtelings gooiend gelijktijdig in de lucht houden

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
jongleren
gejongleer


Woordafbreking
  • jong·le·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jongleren
jongleerde
gejongleerd
zwak -d volledig

Werkwoord

jongleren

  1. inergatief ter vermaak meerdere voorwerpen beurtelings gooiend gelijktijdig in de lucht houden
    • Er werd gegoocheld en gejongleerd en de kinderen vermaakten zich uitstekend. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen