juggle
Uiterlijk
- Geluid: juggle (VS) (hulp, bestand)
- IPA: /ˈdʒʌɡəl/
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to juggle |
| he/she/it | juggles |
| verleden tijd | juggled |
| voltooid deelwoord |
juggled |
| onvoltooid deelwoord |
juggling |
| gebiedende wijs | juggle |
juggle
- goochelen
- handig met iets omgaan, iets voor elkaar krijgen
- «I had to juggle the groceries, getting the kids from school and meeting that deadline too.»
- Ik moest op een of andere manier en de boodschappen en het afhalen van de kinderen van school en het halen van die termijn weten te combineren.
- «I had to juggle the groceries, getting the kids from school and meeting that deadline too.»
- jongleren