identiteitsconstructie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iden·ti·teits·con·struc·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord identiteitsconstructie
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

identiteitsconstructie v

  1. (grammatica) een zinsconstructie met dit, dat of het, gevolgd door het koppelwerkwoord zijn, en vervolgens het naamwoordelijke deel van het gezegde waar dit, dat of het naar verwijst
    • 'Dit is de foto van mijn ouderlijk huis,' is een voorbeeld van een identiteitsconstructie. 
    • 'Luister, dit is een van de mooiste gedeeltes uit de Mattheus Passion van Bach,' is ook een identiteitsconstructie. 

Gangbaarheid