huizen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hui·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
huizen
huisde
gehuisd
zwak -d volledig

Werkwoord

huizen [2]

  1. inergatief wonen, aanwezig zijn
    • Het zat eruit alsof er al enige tijd in deze kamer werd gehuisd. 
  2. overgankelijk een verblijfplaats verschaffen
    • Het geschut werd gehuisd in een nieuw, versterkt betonnen emplacement. 
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

huizen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord huis
     Kennedy Meadows was een gehucht van niet meer dan tien huizen met een centrale winkel waar je bijna alles kon kopen.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. huizen op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be