hausse

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haus·se
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het rijzen van prijzen, opleving’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord hausse hausses
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hausse v

  1. het overspannen hoogtepunt in een conjunctuur, het hoogtepunt in een periode van economische groei.
Antoniemen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen