baisse

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bais·se
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het dalen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord baisse baisses
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

baisse v

  1. (economie) een periode waarin de prijzen uitzonderlijk laag zijn
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Werkwoord

vervoeging van
baisser

baisse

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van baisser
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van baisser
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van baisser