behang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·hang
enkelvoud meervoud
naamwoord behang -
verkleinwoord behangetje behangetjes

Zelfstandig naamwoord

behang o

  1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
    Het wordt tijd voor een nieuw behangetje.

Werkwoord

vervoeging van
behangen

behang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van behangen
    Ik behang.
  2. gebiedende wijs van behangen
    Behang!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van behangen
    Behang je?