behang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
behang op behangerstafel [1]
behang[2]

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·hang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord behang behangen
verkleinwoord behangetje behangetjes

Zelfstandig naamwoord

behang o

  1. ter versiering op de muur aangebrachte papieren bedekking
    • Het wordt tijd voor een nieuw behangetje. 
  2. haren aan de onderbenen van een paard
    • Friese paarden hebben een fraai behang 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
behangen

behang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van behangen
    • Ik behang. 
  2. gebiedende wijs van behangen
    • Behang! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van behangen
    • Behang je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen