Naar inhoud springen

gym

Uit WikiWoordenboek
  • gym
1 enkelvoud meervoud
naamwoord gym
verkleinwoord
2 enkelvoud meervoud
naamwoord gym gymmen
verkleinwoord gymmetje gymmetjes

degymv

  1. gymnastiekles
    • We hebben zo gym. 
  2. ruimte met fitness apparaten
    • Hockney pakt de draad weer op, de burger is afgelegd, en doet zijn gehoorapparaten in. ‘Ik ben nog nooit in mijn leven in een gym geweest, en dat hou ik zo’, zegt hij, en er wordt instemmend gegrinnikt. [1] 

hetgymo

  1. gymnasium
    • Zit jij op het gym? 
vervoeging van
gymmen

gym

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gymmen
    • Ik gym. 
  2. gebiedende wijs van gymmen
    • Gym! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gymmen
    • Gym je? 
99 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[2]