gymleraar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gym·le·raar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gymleraar gymleraars
gymleraren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gymleraar m

  1. (onderwijs) (sport) (beroep) leraar in de lichamelijke opvoeding (gymnastiek)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be