gymmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gym·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gymmen
gymde
gegymd
zwak -d volledig

Werkwoord

gymmen

  1. (sport) onovergankelijk aan gymnastiek doen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

gymmen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gym

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be