gezanik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·za·nik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezanik
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gezanik o [1]

  1. (informeel) op een hinderlijke manier aanhoudend, nutteloos en ongefundeerd geklaag
    • Maar wat me verbaasde, was dat mijn zus de grappen kalm over zich heen liet komen, beleefd lachte, en iedereen liet uitspreken. Ze ging met niemand in discussie en onderging alles zo gelaten dat ik haar er even van verdacht dat ze laxeermiddel in de schaal bowl had gedaan. Een massale race naar de wc bleef uit en ik, moe van al het gezanik over de liefste zoogdiertjes ter wereld, pakte mijn jas.[2] 
    • — Het is diefstal, u zult zich hiervoor moeten verantwoorden, waarde heer! zei de infanterieofficier nogmaals met stemverheffing.
      — En waarom zit u zo achter me aan? Hè? schreeuwde Denisov ineens woest. Ik moet verantwoording afleggen en niet u, hou op met dat gezanik, anders zult u wat beleven! Mars! schreeuwde hij tegen de officieren.[3]
       
  2. (informeel) iets waar iemand een groot probleem van maakt
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Ellen Deckwitz 1 februari 2017
  3. Tolstoj, L.N. Oorlog en Vrede Vertaald uit het Russisch door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes 2006 ISBN 9028240462 pagina 514
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be