generiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ne·riek
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen generiek generieker generiekst
verbogen generieke generiekere generiekste
partitief generieks generiekers -

Bijvoeglijk naamwoord

generiek [1]

  1. (farmacologie) (geneesmiddel) waarvan het patent is verlopen en dat zonder merknaam op de markt wordt gebracht.
  2. algemeen, niet specifiek
  3. (biologie) behorend tot of gerelateerd aan een geslacht
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord generiek generieken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

generiek v

  1. (Vlaams) de namenlijst aan het begin of eind van een film of televisieprogramma; begintitels / aftiteling [2]
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie