gekwek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kwek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekwek
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekwek o [1]

  1. het aanhoudend kwaken van eenden, ganzen of kikkers
  2. (figuurlijk) het aanhoudend praten
    • Als Van der Vegt moest kiezen, zou ze liever een Griekse dan een Romeinse zijn. „Ik houd niet van vechten. En dat eindeloze Griekse gekwek over van alles en nog wat vind ik ontzettend leuk. Wat cultuur en maatschappij betreft zit je bij de Grieken goed. Je werd daar ook niet voortdurend geconfronteerd met familie en dierbaren die weer op oorlogspad moesten. Romeinen gaven het leger altijd maar weer de hoofdrol. Maar als vrouw zou je beter met de Romeinen dan met de Grieken kunnen ruilen.” [2] 
    • Het gekwek is bijna nog luider dan in een klas vol kinderen. Maar deze keer zijn het de leraren die het enorme volume produceren. [3] 
    • De aanwezigheid van tientallen nieuwsgierigen maakte de hulpactie er niet eenvoudiger op. „Mogelijk kon het meisje ons door het gekwek van de omstanders niet goed horen.” [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Tineke van der Waal 03-01-2007 Liever Griek dan Romein
  3. Tubantia Ellen van Gaalen 17-03-18 Jelmer leert wereld een lesje: onderwijs kan zóveel beter
  4. Reformatorisch Dagblad J. Visscher 31-01-2006 Brandweer redt meisje uit buis