gesnater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·sna·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gesnater
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gesnater o [1]

  1. aanhoudend maken van geluid dat lijkt op dat van ganzen, eenden en nadere vogels
    • Gonda Schaap wordt met wild gesnater begroet als ze het flamingo-verblijf in Ouwehands Dierenpark nadert. De 25-jarige dierenverzorgster uit Zetten is verantwoordelijk voor alle vogels in de Gelderse dierentuin. „Flamingo’s zijn erg territoriaal”, legt ze uit. „Het liefst worden ze met rust gelaten.” [2] 
  2. aanhoudend vrolijk en luid kindergeroep
    • "Vroeger vond ik kinderen eigenlijk heel vervelend", vertelt Jan in Weekeinde. "Dat 'geschetter' zei mijn vader altijd over kinderen, dat gesnater en lawaai." [3] 
    • Ik wil zo graag naar zee / gesnater en geklater / van kinderen op het strand / zon en zout op huid / het vele licht, de hoge lucht / lopen langs de vloedlijn / blote voeten in het water / of in het rulle zand. [4] 
  3. zinloos gepraat
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf NIELS KALKMAN 07 apr. 2015 Wat brengt de flamingo hier?
  3. De Telegraaf 09 nov. 2013 Jan Rot: familieman, maar geen kindervriend
  4. Tubantia 02-08-17 Stadsgedicht Enschede | Thuisblijver
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be