gekwebbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·kweb·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekwebbel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekwebbel o [1]

  1. aanhoudend druk kletsen
    • Ik heb geen gespleten persoonlijkheid. Hooguit een kleine literaire aandoening, die mij alles net even anders laat beschrijven. Maar da’s niet erg, toch?Ja, nu zul je zeggen: genoeg gekwebbel, je bent jarig, dus wat is het plan?[2] 
    • We wringen ons door het smalste steegje van Riga. Ooit stonden hier twee vrouwen te ruziën, legt Mihail uit. „Ze wilden beiden voorrang, aangezien er in het smalle steegje maar plaats was voor een dame tegelijk. Een jonge jongen hoorde het gekwebbel en zei hen: ’Niet zo’n ruzie maken. De oudste vrouw krijgt voorrang, zo simpel is het’. Zijn voorstel loste niets op. Tot aan hun dood stonden de vrouwen voor de steeg. ’Ga jij maar’, zei de een. ’Nee, ga jij’ zei de ander. Alles beter dan toegeven de oudste te zijn.”[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf ODETTE SCHOONENBERG 09 sep. 2015 Ik ben jarig en wil graag...
  3. de Telegraaf ROOS VAN TONGEREN 09 mrt. 2015 Riga: gereserveerd maar warm