getater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ta·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord getater
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

getater o [1]

  1. het voortdurend kinderlijke klanken uitkramen
    • Of een kind gewoon leert spreken, hangt af van vele factoren, zowel lichamelijke als psychische. Goorhuis-Brouwer schetst de ontwikkeling van getater tot gebabbel, op kabbelende toon met vereenvoudigd jargon. [2] 
  2. het voortdurend luidruchtig inhoudsloos praten
    • Oostende is de juiste stad voor Jean-Marie. Hij is geoefend in de grootspraak van kustbewoners bluft de boel af als geen ander. Zo bleek ook op zijn eerste persconferentie. Bij zijn triomferend getater werd de al even mediageile voorzitter Vergeylen zowaar een hakkelaar. [3] 
    • John moest denken aan de eeuwige wijsheid van Hans van Mierlo die ooit zei: van vergevensgezindheid komt steeds meer razernij. De oud-scheidsrechter bloedde hevig aan de glorie van zijn opvolger, misschien nog wel heviger dan aan het kwetsende getater van die imam. [4] 
    • Rustig en ongestoord van je lievelingsmuziek genieten, er zijn heel wat plekken waar het je niet gegund is. De QuietComfort 35, een nieuwe draadloze hoofdtelefoon van Bose, past daar een mouw aan: plaats de schelpen over je oren, en je hoort werkelijk niets meer van het straatlawaai of getater in de trein. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Ewoud Sanders 18 februari 1995 Ramsj
  3. NRC 31 oktober 1998 Jean-Marie
  4. NRC Hugo Camps 26 mei 2001 Het pantser Jol
  5. De Standaard 29/06/2016 REVIEW. Bose QuietComfort 35: Stille genieter