gårdsbruk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • gårds·bruk
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

gårdsbruk o

  1. (landbouw) boerderij, landbouwbedrijf
    «Bare det siste året har åtte til ti gårdsbruk blitt lagt ut for tvangssalg i Steinkjer.»
    Alleen in het laatste jaar zijn acht tot tien boerderijen in Steinkjer in het faillissement gerakt.
Verbuiging
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   gårdsbruk     gårdsbruket     gårdsbruk     gårdsbruka
gårdsbrukene  
genitief   gårdsbruks     gårdsbrukets     gårdsbruks     gårdsbrukas
gårdsbrukenes  
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen