filoloog

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fi·lo·loog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord filoloog filologen
verkleinwoord filoloogje filoloogjes

Zelfstandig naamwoord

filoloog m

  1. (wetenschap), (beroep) iemand die zich specialiseert in de studie van de taal en de cultuur van een mensengemeenschap
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen