fiks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiks
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘flink, stevig’ voor het eerst aangetroffen in 1800 [1]
  • Van het Latijnse fixus "vast", mogelijk via het Franse fixe hiervan afgeleid
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fiks fikser fikst
verbogen fikse fiksere fikste
partitief fiks fiksers -

Bijvoeglijk naamwoord

fiks

  1. groot, krachtig
    • Na wat onderhandelen heb ik een fikse korting bedongen. 
    • Zijn zelfvertrouwen heeft een fikse knauw gekregen. 

Werkwoord

vervoeging van
fiksen

fiks

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fiksen
    • Ik fiks. 
  2. gebiedende wijs van fiksen
    • Fiks! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fiksen
    • Fiks je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiks
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Duitse bijvoeglijke naamwoord fix (= flink, snel), dat van het Latijnse woord fixus (= vast) komt
Naar frequentie 15142
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
g enkelvoud fiks fiksere fiksest
o enkelvoud fikst
meervoud fikse
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
fikse fiksere fikseste

Bijvoeglijk naamwoord

fiks

  1. aardig
  2. chic, trendy
  3. compleet
  4. handig, vingervlug
  5. vast
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: fiks og færdig
volledig afgewerkt
  • [4]: fiks/snild på fingrene
handig, vingervlug
  • [5]: en fiks idé
een idee-fixe

Werkwoord

fiks

  1. gebiedende wijs van fikse