fietseling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiet·se·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fietseling fietselingen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fietseling v

  1. neologisme in de jaren 1970 ingevoerd door Luc Versteylen en zijn actiegroep De Groene Fietsers voor een combinatie van fiets en betoging


Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen