factor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fac·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘in de wiskunde: vermenigvuldiger’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1821 [1]
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘element’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1856 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord factor factoren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

factor m

  1. meewerkende oorzaak, katalysator
    • De aanwezigheid van steenkool was een belangrijke factor voor de ontwikkeling van de chemische industrie in Zuid-Limburg. 
  2. (wiskunde) getal in een vermenigvuldiging
    • Het ontbinden in factoren is een belangrijke tak van de wiskunde geworden. 
  3. maat waarmee men de werking of een eigenschap van een stof of product kan weergeven
     Ik smeerde me van top tot teen in met factor 50, hees mijn zware rugzak op mijn rug en liep omhoog richting ‘Pinchot Pass’.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord factor factors
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

factor m

  1. een afgezant van een handelaar
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen