evacueren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eva·cu·e·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Franse évacuer (met het achtervoegsel -eren).
  • [1] In de huidige (dominante) betekenis van “de plaatselijke of eigen bevolking in veiligheid brengen”, als leenvertaling van Engels evacuate, aangetroffen sinds de Tweede Wereldoorlog.
  • [2] In de betekenis van ”ontruimen, verlaten (van een woonplaats)” voor het eerst aangetroffen in 1650. [1]
  • [3] In de medische betekenis van “afvoeren uit het lichaam, doen braken” aangetroffen sinds de 14e eeuw. [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
evacueren
evacueerde
geëvacueerd
zwak -d volledig

Werkwoord

evacueren [3]

  1. overgankelijk iets of iemand in veiligheid brengen i.v.m. een noodsituatie
    • Het hele dorp werd geëvacueerd vanwege de komende vloedgolf. 
     Ik ritste mijn tent weer open en scheen met mijn hoofdlamp onder mijn tentzeil. Daar zag ik tot mijn verbazing duizenden termieten die in lange colonnes hun larven aan het evacueren waren vanwege mijn aanwezigheid.[4]
     Gelukkig dekte mijn zorgverzekeraar mijn avontuur, maar voor de zekerheid had ik een aanvullende search and rescue-polis afgesloten mocht ik met de helikopter geëvacueerd moeten worden.[4]
     Officieel wordt medegedeeld, dat schikkingen zijn getroffen om de Britse onderdanen In België en Nederland te evacueren.[5]
  2. ergatief de woonplaats voor de veiligheid verlaten
    • Nog geen etmaal later stond de kerk zeker een meter onder water. Daar hadden de Moerdijkers toen geen oog voor. Zij evacueerden massaal. [6] 
  3. overgankelijk (medisch) (eufemisme) het lichaam ledigen van ongewenste lichaamsproducten, d.i. uitpoepen, uitplassen, uitbraken e.d.
     Bij mijne komst vond ik de vrouw onder de navolgende toevallen: gezwollen hoofd, uitpuilende oogen, blaauw en zelfs op sommige plaatsen, vooral onder de oogen, zwartachtig in het aangezigt, drooge vuile tong, koude ledematen, hevige krampen der onderste, meestal ontbrekende pols, allermoeijelijkste ademhaling, neiging tot braken, nu en dan persing tot stoelgang zonder iets te evacuéren, brandende buikpijnen, vooral bij de aanraking. Spreken kon de lijderesse niet, maar somwijlen gilde zij eenige onverstaanbare woorden uit.[7]
     Een ander maniere van ruden comt van spijsen dat mense qualic verduwen mach alse die spijse vervult wert in den lichame. Ende aldus salmen gaen ter cueren. Int erste salmen die materie ende die verrotte humoren evacueren.[8]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[9]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "evacueren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. evacueren op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. 4,0 4,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 10-04-2021 Weblink bron Engelsen evacueren in: Het volk : dagblad voor de arbeiderspartij (10-05-1940), Arbeiderspers, Amsterdam, p. 2 op Delpher.nl op Wikipedia
  6. BN DeStem
  7. Bronlink Weblink bron J. van Dissel, Jz. Waarneming van eenen aanval van ziekte, zeer overeenkomende met de cholera morbus der Indiën in: Dr. E.C. van Leersum (ed.) Vaderlandsche letteroefeningen op Wikipedia (1824), G.S. Leeneman van der Kroe en J.W. IJntema, Amsterdam, p. 658 op dbnl.org op Wikipedia
  8. Bronlink Weblink bron Johan Yperman Van rudicheit en(de) scorreftheit ane die mensche (ca. 1310) in: Dr. E.C. van Leersum (ed.) De „Cyrurgie” van Meester Johan Yperman (1912), A.W. Sijthoff, Leiden, p. 168 op dbnl.org op Wikipedia
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be