evacueerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eva·cu·eer·de

Werkwoord

vervoeging van
evacueren

evacueerde

  1. enkelvoud verleden tijd van evacueren
    • Ik evacueerde. 
    • Jij evacueerde. 
    • Hij, zij, het evacueerde.