deduceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·du·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Franse déduire of daarvoor van het Latijnse 'dūcere' met het voorvoegsel de- met het achtervoegsel -eren [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deduceren
deduceerde
gededuceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

deduceren

  1. overgankelijk met behulp van logische regels uit het algemene afleiden
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen