afleider

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·lei·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afleider afleiders
verkleinwoord afleidertje afleidertjes

Zelfstandig naamwoord

afleider m

  1. middel om iets of iemand (al of niet gewenst) iets anders te laten doen
    • De luidruchtige jongen was een grote afleider in de klas die er voor zorgde dat niemand meer rustig kon werken. 
    • Een telefoon is een grote afleider bij het studeren en veroorzaakt studie ontwijkend gedrag. 
Hyponiemen
  1. bliksemafleider

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be