debiel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·biel
enkelvoud meervoud
naamwoord debiel debielen
verkleinwoord debieltje debieltjes

Zelfstandig naamwoord

debiel m

  1. (verouderd) iemand die licht zwakzinnig is
    Vroeger werd iemand met een IQ tussen 50 en 75 bestempeld als een debiel.
  2. (beledigend) bespottelijk iemand
    Die debiel maakt zichzelf belachelijk door te denken dat hij grappig is.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen debiel debieler debielst
verbogen debiele debielere debielste

Bijvoeglijk naamwoord

debiel

  1. (verouderd) in lichte mate zwakzinnig
    Een debiel iemand zou die mop minder snel of niet doorhebben.
  2. (beledigend) bespottelijk
    Die kerel is echt debiel als hij denkt dat hij dat kan.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie