douw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • douw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord douw douwen
verkleinwoord douwtje douwtjes

Zelfstandig naamwoord

douw m [2]

  1. een douw krijgen: een berisping krijgen
    • Van de ouderen niets dan goeds, want voor je het weet krijg je een douw. De ouderen zijn op oorlogspad - ze worden 'gepakt', staat boos in hun verkiezingsflyers, 'ouderen pikken het niet meer'. Politieke partijen leveren slag om de oudere, en die laat zich niet zomaar vangen. Van de week was ik zo brutaal de woorden 'grijze golf' en 'SUV' in één bijzin te gebruiken en dat kwam me op een paar heldere e-mails te staan: of ik wel wist hoe hoog de hypotheekrente was in 1979? 12 procent! 'Geen witte wijn op terrassen en etentjes met vrienden en vriendinnen![3]  
    • De verliezer, zeggen ze bij andere partijen, is sowieso de rechtsstaat. Hoe het vonnis ook zal uitpakken: met zijn frontale aanval op het OM („bondgenoot van terroristen”) heeft Wilders de democratische orde weer een nieuwe douw gegeven. Eerder noemde hij de Tweede Kamer een „nepparlement”, voorspelde hij een „revolte” als hij geen premier zou worden en een „burgeroorlog” als de huidige politieke leiders in Europa zouden blijven zitten.[4] 
  2. duw
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. douw op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Volkskrant Toine Heijmans 23 september 2016,
  4. NRC Thijs Niemantsverdriet 24 november 2016

Werkwoord

vervoeging van
douwen

douw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van douwen
    • Ik douw. 
  2. gebiedende wijs van douwen
    • Douw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van douwen
    • Douw je?