curriculum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cur·ri·cu·lum
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘levensloop’ voor het eerst aangetroffen in 1899 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord curriculum curricula
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

curriculum o

  1. is een plan voor leren.
    • Medische ethiek is een onderdeel van het curriculum van de studie geneeslunde. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen