crime

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cri·me
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord crime -
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Zelfstandig naamwoord

crime m

  1. (juridisch) (verouderd) wandaad tegen regels die het algemeen belang beschermen
    • Crime, ‘criem’, ‘mesdaet’, ‘felony’, is bovenal vergrijp tegen de maatschappij, tegen den ‘landvrede’ of openbare veiligheid, die door allen beschermd moet worden: délit, ‘mesuse’, ‘schade’, is vergrijp tegen den bijzonderen persoon.  [1]
  2. (figuurlijk) noodzakelijke handeling of ervaring die veel moeite en ergernis geeft
    • De signalen van hun laaggeletterde cursisten waren immers overduidelijk: ze vonden een bezoek aan het ziekenhuis een crime.  [2]
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1] crime passionnel
misdaad uit hartstocht; meestal: moord uit jaloezie op een of beide partners in een relatie door iemand die door een van hen is afgewezen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Berckel, H.A.A. van "Het vaan, als regtsteeken" in: Dietsche Warande. jrg. 5 (1860) C.L. van Langenhuysen, Amsterdam; p. 561 n. 1; geraadpleegd 2017-06-20
  2. Craats, I. van de & H. Gehre "Uit het veld. Alfabetiseringsprijzen 2010" in: Alfa-nieuws. jrg. 13 nr. 4 (november 2010) Coutinho, Bussum; p. 10; geraadpleegd 2017-06-20


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
crime crimes

Zelfstandig naamwoord

crime

  1. (juridisch) misdaad


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • crime
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  crime     le crime     crimes     les crimes  

Zelfstandig naamwoord

crime m

  1. (juridisch) misdaad
Overerving en ontlening