confrontatie
Uiterlijk
- con·fron·ta·tie
- Naamwoord van handeling van confronteren met het achtervoegsel -atie [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | confrontatie | confrontaties |
| verkleinwoord | confrontatietje | confrontatietjes |
de confrontatie v
- aanvaring met andere persoon of zware problemen tussen groepen
- ▸ Als ik niet door mijn schoonmoeder mee op reis was gevraagd, had ik deze confrontatie waarschijnlijk nog dagen voor me uit kunnen schuiven, maar nu ontkom ik er niet aan.[2]
- ▸ Ze wist best dat ze een confrontatie over haar ware ik uit de weg ging door in Spanje te blijven - nu hoefde ze haar vader niet op te biechten dat ze zich had aangemeld voor de kunstacademie.[3]
- blootstelling aan (onaangename) feiten en/of problemen
- ▸ Dit was de eerste echte beproeving die dag. De directe confrontatie met water.[4]
- Het woord confrontatie staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "confrontatie" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ confrontatie op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑ Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ “All-inclusive”
(2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht
, ISBN 90-229-9182-2 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be