confronteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·fron·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
confronteren
confronteerde
geconfronteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

confronteren

  1. overgankelijk ~met: iemand laten zien wat diegene heeft gedaan (en wat diegene liever niet zou willen weten)
    • Ik confronteerde hem met zijn fouten die hij heeft begaan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen