concurreren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·cur·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘wedijveren’ voor het eerst aangetroffen in 1819 [1]
  • afgeleid van het Franse concurrer [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
concurreren
concurreerde
geconcurreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

concurreren

  1. inergatief (economie) commercieel wedijveren
    • Er wordt in die bedrijfstak scherp geconcurreerd. 
  2. wedijveren in het algemeen, iemand concureert met iemand, als de ene wint verliest de andere
    • De voetballertjes concurreerden met elkaar om de mooiste plaats in het elftal. 
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen