beconcurreren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·con·cur·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beconcurreren
beconcurreerde
beconcurreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

beconcurreren

  1. overgankelijk aan mededinging onderwerpen
    • Het Chinese bedrijf begon hen heftig te beconcurreren. 
  2. wederkerig elkaar ~ in concurrentiestrijd verwikkeld zijn
    • Zij beconcurreerden elkaar al jaren. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.