concentreren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·cen·tre·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verenigen’ voor het eerst aangetroffen in 1777 [1]
  • afgeleid van het Franse concentrer (met het voorvoegsel con- en met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
concentreren
concentreerde
geconcentreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

concentreren

  1. overgankelijk centraliseren, op één plek samenbrengen
  2. wederkerend zich ~ op één zaak toespitsen
    • Dit bedrijf concentreerde zich alleen nog maar op één bezigheid en noemde dit haar corebusiness. 
    • Een op de vier studenten slikt ADHD-medicatie, zoals Ritalin, om zich beter te kunnen concentreren tijdens het studeren en dit aantal blijft stijgen. [3] 
  3. overgankelijk (scheikunde) het ontdoen van overtollig oplosmiddel van een oplossing
    • De oplossing werd geconcentreerd door indamping onder voorzichtig verwarmen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen