compenseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • com·pen·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vereffenen’ voor het eerst aangetroffen in 1423 [1]
  • afgeleid van het Franse compenser (met het achtervoegsel -eren) [2] [3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
compenseren
compenseerde
gecompenseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

compenseren

  1. overgankelijk iets goed (proberen te) maken, terug in balans brengen
    • De oude fietser wist zijn verminderde snelheid te compenseren door langer door te fietsen. 
    • Een korte sluitertijd kun je compenseren met een groter diafragma of een lichtgevoeliger film. 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen